Vakantieweer

We hebben zulke vakanties gehad! Prachtig zou het weer worden. Vliegers tegen een strakblauwe lucht. Helmgras krakend in een stevige bries, je haar altijd in de war – maar wat maakt dat nou uit? Het is vakantie! Wat trek je aan vandaag? Een zwembroek, toch? Perfect krokant gebakken met een laagje zout dat er zelfs met dagelijks twee keer douchen niet af te spoelen is.

Op de boot had ik nog de meeste hoop. Het waait wel over – boven het eiland schijnt altijd de zon. En de wolken waaien er hoe dan ook sneller weg. Maar naarmate de haven dichterbij kwam, loste het beetje hoop dat ik had meer en meer op met de voortdurende miezer. Achter de vuurtoren wordt het al lichter, was mijn laatste optimistische gedachte tijdens het ronden van De Punt.

De tocht naar de camping werd een processie van waterdragers. Regenjassen, poncho’s, rugzakken, koffers, helmpjes, kinderfietsjes – alles bedruppeld, glimmend nat. Maar wat zei Buienradar ook alweer? Binnenkort iets minder millimeters. Bijna. Hou nog even vol. Ondertussen sluisden de groeven in mijn voorhoofd het afdruipende water geduldig naar beneden waar het mijn mondhoeken steeds iets verder naar beneden trok.

De camping – een verre herinnering aan knisperende meeuwen tegen een genadeloos stralende zon. De realiteit: dampend inchecken. Toch nog even kijken op het printje met het weerbericht. Zie je wel, voor de week om is, wordt het beter – en vandaag is niet eens de slechtste dag geweest!

Gelukkig hielpen de buren met het opzetten van de tent. Vrouw en kind konden schuilen en keken toe terwijl de buurman papa hielp met het in elkaar ploeteren van het onderkomen. Hij staat wel voor de èchte bui valt, de luifel doen we later wel. Desnoods morgen, we zijn er nu toch – geen haast, geen haast.

Voor ons lagen twee weken. Twee weken van verzekerde kans op verbetering. Elke dag beloofde het papiertje met het weerbericht bij de receptie verandering. Een zonnetje met een wolkje ervoor is toch ook een zonnetje? En als het echt te regenachtig is dan gaan we gewoon nòg een keer naar het bezoekerscentrum: een rog of een hondshaai aaien met je blote hand is iets wat je niet vaak genoeg ervaren kunt, toch? Mijn zoon vond het de eerste keer prachtig in elk geval.

Net als die dagen dat we wèl met de blote billen in het zand konden. Hoe zeldzamer de dag, hoe waardevoller, toch? En het scheelt bakken zonnebrand – al is het zo dat je bij bewolkt weer op de eilanden bijna net zo hard verbrandt als bij mooi weer. Dus.

En uiteindelijk klaarde het op – het was de een na laatste dag: we mochten bijna naar huis. Het gras was minder nat en mijn zoon had inmiddels leren lopen op het steile, natte duin. Vol trots paradeerde hij onder de stralende zon, terwijl wij dolgelukkig waren met het feit dat we de tent in ieder geval droog konden inpakken.

Maar, zo hoor ik je denken, alle leukigheid ten spijt: wat maakt al dit afzien dan de moeite waard? Waarom, in godsnaam, sleurt een jonge vader zijn gemiddeld nog veel jongere gezin mee in deze zinsbegoocheling van geslaagde huiselijkheid?

De geur van versgevallen regen op zongedroogde grond. Miezer die de geur van mos en duinroos zo dik in de lucht brengt dat je er bijna van in katzwijm valt. Dennenbos met een herfstige zweem van rotting. Zacht zand dat aan je voeten plakt als een laagje nieuwe huid terwijl je toch nog even over het duin gaat kijken. Spetters van de golven mengen zich met de zoete nevel op de vlagerige wind.

Ja het was afzien, en de handdoeken waren eigenlijk nooit droog – maar het rook zo lekker. En met regen onder het tentdoek boekjes lezen is toch eigenlijk ook heel fijn? En we hebben hoop: volgend jaar wordt het weer zeker beter!

regen-denk